Sentence
Tap a word...
Word
Hold a word...
In mijn tuin staat een boom. De boom is heel groot en oud. De stam van de boom is bruin. De boom heeft sterke takken. In de zomer heeft de boom groene bladeren. De bladeren geven veel schaduw. Dat is fijn als het warm is. In de herfst worden de bladeren geel.
1/2