Sentence
Tap a word...
Word
Hold a word...
Ik heb honger. Wat gaan we eten? Ik ga naar de supermarkt voor boodschappen. Ik koop rode appels en gele bananen. Voor het avondeten koop ik pasta en tomaten. Thuis ga ik lekker koken in de keuken. Het eten ruikt heel goed en is gezond. Alles is klaar. Eet smakelijk!