Sentence
Tap a word...
Word
Hold a word...
Ik word wakker in de ochtend. De zon schijnt door het raam. Het is tijd voor mijn ontbijt. Ik ga naar de keuken. Daar pak ik een schoon bord. Ik eet een boterham met kaas. De kaas komt van de boerderij. Ik drink ook een glas melk.
1/2